Katten zijn echte carnivoren waarbij hun hele spijsvertering gericht is op het – relatief snel – verteren van dierlijke eiwitten. Plantaardige eiwitten worden door de kat veel moeilijker omgezet in voedingsstoffen. Bij een gebrek aan dierlijke eiwitten zal de kat uiteindelijk gaan interen op zijn eigen lichaam.

De bek en gebit van een kat is gericht op het vangen van kleine dieren. De prooi wordt in zijn geheel (dus met huid en haar) ingeslikt. Een kat heeft kleine kiezen maar gebruikt die nauwelijks om te kauwen. Het speeksel bevat ook geen enzymen die de spijsvertering op gang helpen (zoals mensen dat wel hebben).
Katten hebben relatief weinig smaakpapillen maar zijn des te meer van reuk, vorm en structuur. Geur is vaak de prikkel om te gaan eten. Ook de temperatuur van het voer (bij voorkeur 35 C) speelt een rol. Verder zijn katten associatief – bij een slechte ervaring met bepaald voer zullen ze er de volgende keer waarschijnlijk niet meer aan beginnen – en ook de omgeving heeft invloed op de eetlust van de kat.
De vertering start in de relatief kleine maag. Katten zullen daarom liever vaker wat kleinere hoeveelheden innemen dat veel ineens. In het wild vangen ze soms wel 17-20 kleine prooien per dag. Het maagsap is heel erg zuur waardoor alles (huid, haar, veren) goed zullen worden afgebroken totdat er een brei ontstaat die doorgaat naar de dunne darm.
De dunne darm maakt enzymen aan die eiwitten in het voer afbreken tot in het bloed opneembare voedingsstoffen. Ook de alvleesklier (pancreas) maakt enzymen aan die de spijsvertering van vlees(eiwitten) mogelijk maken. De lever maakt het galsap aan wat onder andere helpt bij het opnemen van vetten en vitamines en bij afbraak van het maagzuur en de afvoer van niet opneembare afvalstoffen.
Katten hebben de neiging om te weinig te drinken. In hun natuurlijke omgeving vangen ze de hele dag sappige prooien waardoor extra drinken niet nodig is. Een huiskat die uitsluitend droge brokjes krijgt zal te weinig vocht opnemen en heeft meer kans op het ontwikkelen van blaas- en nierproblemen. Geef daarom naast brokken ook regelmatig natvoer. Het aanbieden van stromend water werkt voor de meeste katten ook beter dan water in een bakje.
Voeding-gerelateerde problemen kunnen zijn
- ontlasting (moeizaam, stinken, bloed erbij)
- gewichtsproblemen (afvallen of aankomen)
- gebitsproblemen (tandsteen, stinkende adem)
- vachtproblemen (dof, haaruitval, jeuk)
- problemen aan nieren en blaas (blaasgruis, struviet)

